Voorgesteld is hoe Gideon, op bevel van God, met zijn knechten het altaar van Baäl vernielt en het bijgelegen heilige bos omhakt. Uit angst voor tegenwerking doen ze het 's nachts bij het licht van fakkels. Op de achtergrond is te zien hoe Gideon zijn God eert met een offer van twee jonge kalveren.