Twee uiteinden van een oorijzer, omstreeks 1900 gedragen door een meisje in streekdracht uit Arnemuiden. De gouden krullen hebben vier windingen. De beide delen van de beugel zijn van zilver. In de aanzet van de krullen zitten drie gaatjes. Door deze gaatjes kunnen spelden worden gestoken om de oorijzeruiteinden in de ondermuts vast te maken.